Het heersende beeld van schrijvers is dat ze leven als bohemiens. Ze hebben volgens onze 19e-eeuwse romantische fantasieën zelden een vaste verblijfplaats, altijd een vaste slijter en paffen gemiddeld een pakje per dag. Echte auteurs zijn ook anno 2014 geen ‘ordinaire’ broodschrijvers die bijverdienen met een column in de Viva of de VI, maar ‘romanciers’ die leven voor de kunst. Dat is voor sommige zelfs een reden om de pen ter hand te nemen, omdat het zo lekker plakt als imago. Je schrijft immers pas literatuur met hoofdletter als je leeft zoals het antieke beeld doet voorkomen, dan hoor je er bij, dan tel je mee.

In de praktijk heeft iedere schrijver zijn eigen rituelen. Zo stond Ernest Hemingway voor dag en dauw op zodat niemand hem kon storen en sloot Roald Dahl zich op in zijn ‘tuinhuis’ waarin hij vanuit een luie stoel schreef gehuld in een slaapzak. Balzac dronk vijftig koppen koffie per dag terwijl W.H. Auden zichzelf rond dat tijdstip beloonde met wodka martini’s. De dames zoeken het eerder buitenshuis: J.K. Rowling rondt haar boeken het liefst af in een hotelkamer waar ze roomservice bestelt, Marion Pauw vertoeft graag in New York en Saskia Noort maakt meters in haar huis op Ibiza. Marcel Proust hield er een heel bijzondere werkhouding op na: hij kwam pas laat in de middag zijn bed uit en ontbeet met een shot opium en een paar croissants.

Toch zijn deze ‘bourgondische’ manieren van leven lang niet altijd indicatoren voor succes. De meeste schrijvers zijn eerder gebaat bij het ouderwetse: rust, reinheid en regelmaat. Ze hebben vaak een baan die hun regelmaat biedt en sparen de zeldzame vrije uurtjes naast hun baan en kinderen op om zichzelf op te sluiten in een kamertje. Ze proberen zonder zeezicht, roomservice, toverpoeder en geestverruimende middelen om met een pc en een ijzeren zelfdiscipline tot magie te komen. En om het jezelf wat comfortabeler te maken zorgt de een voor een wijntje en de ander voor een pot thee, de een voor een sigaret en de ander voor chocola.

Ik merk nu dat ik vooral omstandigheden probeer na te bootsen van de periode waarin ik goed vooruit kwam met Spotlight. De verwarming gaat aan, er gaan liters kamillethee doorheen en er brandt iedere keer een (biologische) kaars. Er ligt zelfs een ‘inspiratiesteen’ op mijn bureau die ik ooit meebracht uit Ibiza en die de vorige keer ‘hielp’.

Kom je er echt een keer niet uit, dan is er volgens de wetenschap slechts een oplossing die echt werkt: maak een wandeling. Contact met de natuur en de vaste cadans van je voetstappen zorgen voor een verhoogde productiviteit en kundigheid bij creativiteit. Succes gegarandeerd dus. En ach, als dat niet werkt, kun je altijd nog aan de opium of vodka martini’s gaan, toch ;). Ik hou van vaste tijden op vaste plekken, van regelmaat en ritme, van de kracht van herhaling. Hoe ziet jouw schrijfritueel er uit? Wanneer werk jij het best?

Liefs,

Joyce